Op 12 Safar 2 A.H., 1 vormde de Heilige Profeet
een bataljon van 60 metgezellen uit de Muhajireen en vertrok richting Abwa. Het doel van deze expeditie was om een verdrag met de stam Banu Dhamra (بنو ضمره) te ondertekenen en de handelskaravaan van de Quraysh te onderscheppen. De vlag van dit bataljon was wit en werd gedragen door Hamza ibn Abdul Muttalib
. 2 Saad ibn Ubadah
kreeg de leiding over Medina tijdens de afwezigheid van de Heilige Profeet
. 3 De reis van Medina naar Abwa duurde ongeveer 15 dagen. 4 De Moslimgroep liep de karavaan mis waardoor er geen onderschepping plaatsvond, 5 maar er werd wel een overeenkomst gesloten met de stam Banu Dhamra (بنو ضمره). 6
Toen de Moslims nog in Makkah (Mekka) verbleven, werden ze ernstig vervolgd door de polytheïsten. Keer op keer werd aangehaald dat ze de Islam moesten verwerpen en terug moesten keren naar het polytheïsme. Toen de slachtoffers van deze kwellingen toestemming aan de Heilige Profeet
vroegen om terug te vechten, stemde hij niet toe en vroeg hen geduldig te zijn, aangezien Allah de Almachtige het nog niet had toegestaan terug te vechten. 7
Na de migratie van de Heilige Profeet
en zijn metgezellen, kreeg Yathrib de naam Medina en werd de eerste Islamitische staat opgericht. 8 Het was een plek waar de Moslims in vrede en harmonie konden leven, zonder angst om vervolgd te worden door de Quraysh of andere ongelovigen. Deze ontwikkeling maakte de mensen van Quraysh erg ongemakkelijk. Daarom zochten ze naar elke mogelijkheid waarbij ze de Moslims of hun belangen konden pijnigen. 9 Als reactie hierop werden de Moslims geholpen door Allah de Almachtige en kregen zij toestemming om te vechten en te handelen tegen elke aanval van de non-Moslims. 10 Zoals de Heilige Qoraan vermeldt:
أُذِنَ لِلَّذِينَ يُقَاتَلُونَ بِأَنَّهُمْ ظُلِمُوا ۚ وَإِنَّ اللَّهَ عَلَىٰ نَصْرِهِمْ لَقَدِيرٌ 3911
Toestemming (om te vechten) is gegeven aan degenen tegen wie gevochten wordt, omdat hun onrecht is aangedaan, voorzeker Allah heeft de macht hen bij te staan.
Dit is het eerste geopenbaarde vers dat gaat over het vechten tegen de ongelovigen van Makkah. 12 Na de openbaring van dit vers volgden andere verzen waarin het concept en de plichten van de Jihad (heilige oorlog) voor de Moslims verder werd uitgelegd. 13 Om de polytheïsten van Quraysh te temmen, begon de Heilige Profeet
gewapende missies te sturen om de handelskaravanen van de Quraysh te overvallen. 14
Makkah was een onvruchtbaar land en vertrouwde zwaar op haar handelsactiviteiten om te overleven en economische stabiliteit te behouden. Echter, niet iedereen mocht handelen met andere naties. De rechten om te handelen waren alleen voorbehouden aan de stam van Quraysh. Daarom stonden alle handelskaravanen die Makkah voor de handel verlieten onder leiding en controle van de Quraysh. 1516 Tijdens het zomerseizoen handelden de Mekkanen met de mensen van Syrië en tijdens het winterseizoen handelden ze met de mensen van Jemen. 17 Ze konden deze handelsroutes veilig belopen aangezien de inwoners van Makkah in een heilige stad woonden en geen enkele stam de inwoners van deze onaantastbare stad durfde aan te vallen. 18 Als deze handelskaravanen van de Quraysh zouden worden aangevallen, zou het voortbestaan van de Mekkanen op het spel staan, wat ertoe zou kunnen leiden dat de Quraysh in de verdediging zouden gaan.
Toen de Moslimgroep Abwa bereikte, ontmoette de Heilige Profeet
Makshi ibn Amar (مخشى ابن عمرو)`, de leider van Banu Dharma (بنو ضمره) en tekende een vredesovereenkomst en samenwerkingsverband met hem. 1920 De inhoud van deze overeenkomst was als volgt:
بسم اللّٰه الرحمن الرحيم، هذا الكتاب من محمد رسول اللّٰه لبني ضمرة بأنهم آمنون على أموالهم وأنفسهم، وأن لهم النصرة على من رامهم» أي قصدهم «ألا أن يحاربوا في دين اللّٰه، ما بل بحرصوفة» أي ما بقي فيه ما يبل الصوفة «وأن النبي صلى اللّٰه عليه وسلم إذا دعاهم لنصره أجابوه عليهم، بذلك ذمة اللّٰه وذمة رسوله» أي أمانهما انتهى. 21
In de naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle. Dit is een brief van Mohammed, de Boodschapper van Allah, aan Banu Damra. (Er staat in:) De rijkdom en het leven van de stam Banu Damra zijn veilig (onder bescherming van de moslims). Zij zullen worden geholpen tegen degenen die hen kwaad willen doen. Zij zullen zich niet tegen de religie van Allah (d.w.z. de Islam) keren zolang er nog genoeg water in de oceaan is om een stuk wol nat te maken. En wanneer de Profeet
hen oproept om de moslims te helpen, zullen zij die oproep (positief) beantwoorden. In ruil daarvoor zullen zij onder de bescherming van Allah en zijn Boodschapper staan.
De overeenkomst was getekend door de Profeet Mohammed
en de leider van de stam Banu Dhamra. Verschillende namen zijn genoemd voor de leider van Banu Dhamra zoals: Majdi ibn Amar, Majshi ibn Amar 22 en Makhshi ibn Amar. Echter is Makhshi ibn Amar het vaakst genoemd in de authentieke teksten en veel geleerden refereren naar deze naam. 23242526 Nadat de overeenkomst tussen de Heilige Profeet
en de stam Banu Dhamra getekend was, keerde het Moslimleger terug naar Medina.