encyclopedia

De Slag Van Badr (2 A.H.) – De eerste grote islamitische slag

Published on: 28-Mar-2026
De Slag Van Badr (2 A.H.)
De Slag Van Badr (2 A.H.)
Een andere naam:Badr Al-Uzma
Badr Al-Qitaal
Badr Al-Furqan
Datum van expeditie::17 Ramadan 2 A.H. (After Hijrat - migratie van Makkah naar Medina)/Maart 624 C.E.Belegering::Moslims vs. Polytheïsten van MakkahMoslimleger:313 soldaten
3 kamelen &
70 paarden
Leger van polytheïsten:1.000 mannen 700 kamelen & 100 paardenLeider van moslimleger:Profeet Mohammed ﷺLeider van leger van polytheïsten:Amr ibn Hisham
(Abu Jahl)
Locatie van expeditie:Badr/Hejaz (het tegenwoordige Saudi-Arabië)Uitkomst:Overwinning voor MoslimsMartelaars bij moslims:14 Sahaba
رضى الله عنهم
Verliezen/situatie bij polytheïsten:70 gedood &
70 gevangen
Referentie van deze specifieke dag:De Dag van Onderscheid
(يوم الفرقان)
LanguagesاردوEnglishPortugueseGerman

De Slag van Badr staat ook wel bekend als ‘Badr al-Uzma’, ‘Badr al-Qitaal’ en ‘Badr al-Furqan’. 1 Deze slag werd op 17 Ramadan in het jaar 2 A.H. gevochten. 2 Deze slag was de eerste beslissende oorlog die plaatsvond tussen de Moslims en de polytheïsten van Makkah3 en wordt daarom ook als een van de meest significante oorlogen in de geschiedenis van Islam gezien. 4

Moslims Kregen Toestemming te Vechten

In de eerste 13 jaar van zijn Profeetschap verbleef de Heilige ProfeetSallallah o Alaih Wasallam in Makkah en voerde hij daar verspreidingsgerichte activiteiten uit. In die tijd werden hij en zijn metgezellen ernstig vervolgd door de polytheïsten van Makkah. Als reactie hierop vroegen de Moslims de toestemming van de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam om een passende reactie te geven aan de onderdrukkers. De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam gaf hen geen toestemming 5 en vroeg hen geduldig te zijn, aangezien Allah de Almachtige hen niet had toegestaan te vechten tegen de polytheïsten. 6

Maar toen de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam migreerde naar Medina en daar de eerste Islamitische staat had gevormd, deden de Quraysh hun uiterste best om de Moslims op welke manier dan ook schade toe te brengen. 7 Tegen die tijd had Allah de Almachtige toestemming gegeven aan de Moslims om tegen de onderdrukkers te vechten. 8 Dus gaf de Profeet Mohammed Sallallah o Alaih Wasallam sommige metgezellen de opdracht om de grenzen van de stad dag en nacht te bewaken. Om de Quraysh op hun knieën te dwingen bereidde Profeet Mohammed Sallallah o Alaih Wasallam ook een strategie voor om de handelsroutes in de macht van de Moslims te brengen. Daarom werden gewapende missies georganiseerd om commerciële karavanen van de Quraysh te overvallen. 9 Deze overvallen continueerden en uiteindelijk leidden deze tot de eerste volwaardige oorlog van de Islamitische geschiedenis, namelijk de Slag van Badr.

Reden van de Slag

De stad van Makkah was een verwoest en onvruchtbaar land. Daarom waren de Mekkanen zeer afhankelijk van de handel, economische stabiliteit en financiële welvaart om te kunnen overleven. De rechten om op zo een grote schaal te kunnen handelen met andere naties was alleen toegekend aan de Quraysh. 10 Als de commerciële karavanen van de Quraysh verstoord konden worden, zouden zij op hun knieën gedwongen worden en zouden de negatieve activiteiten tegen de pasgevormde Moslimstaat stoppen.

In 2 A.H. (2 jaar na de migratie van Makkah naar Medina) keerde een grote handelskaravaan van de Quraysh terug naar Makkah. Dus stuurde de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam Talha ibn Ubaidullah Radi Allah Anho en Saeed ibn Zubair Radi Allah Anho naar het noorden om informatie te verzamelen over de karavaan. Toen ze bij Howra (حوراء) aankwamen, zagen ze dat de karavaan geleid werd door Abu Sufyan. Haastig keerden de verkenners van de Moslims terug naar Medina en informeerden de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam hierover. De karavaan vervoerde goederen ter waarde van ongeveer 50.000 Dinars (gouden munten), 1.000 kamelen en werd bewaakt door slechts 40 man. 11

Als de Moslims zouden slagen in het veroveren van deze karavaan, dan zou dat leiden tot enorme economische verliezen voor de Mekkanen. 12 Het zou ook hebben geholpen bij het terugkrijgen van de rijkdommen die de inwoners van Makkah van de Muhajirien hadden afgenomen. 13 Dus kondigde de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam onder zijn metgezellen aan: ‘Dit is de karavaan van de Quraysh, dus ga er naartoe. Als Allah het wil, zal Hij jullie de karavaan schenken.’ 14

De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam forceerde niemand om mee te doen met de expeditie, omdat hij geen oorlog met het leger van de Quraysh verwachtte. Aangezien er weinig tijd was en beslissingen snel genomen dienden te worden, 15 kondigde de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam aan dat iedereen die een paard of een kameel had en bereid was aan deze tocht deel te nemen, met hem mee mocht gaan op expeditie. 16 Omdat het een vrijwillige keuze was, bleven sommige metgezellen achter. Niemand van hen verwachtte immers een oorlog. 17

De Tocht richting Badr

Op 12 Ramadan 2 A.H. 181920 vertrok de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam samen met zijn metgezellen richting de karavaan en Abdullah ibn Um al-Maktoom Radi Allah Anho kreeg de leiding om de gebeden in Medina te leiden in afwezigheid van de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam. 21 Uthman ibn Affan Radi Allah Anho kon niet mee met de expeditie, omdat zijn echtgenote, Ruqaiya Radi Allah Anha, tevens ook de dochter van de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam, erg ziek was en iemand bij haar moest blijven. 22

Het Moslimleger

Het genoemde aantal soldaten in het Moslimleger tijdens deze missie verschillen. Volgens verschillende geleerden varieert het aantal tussen 313 en 319 soldaten. 23 Al-Qirwani 24 en Abu al-Hasan al-Shafi 25 zeggen dat het Moslimleger bestond uit 313 soldaten, terwijl Hafiz al-Zahabi overlevert dat 319 metgezellen de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam vergezelden. 26 Ibn Ishaq zegt dat 314 mensen deel hebben genomen in deze expeditie en heeft ook een juiste samenstelling van het leger verstrekt. Volgens hem vergezelden 314 Moslims Profeet Mohammed Sallallah o Alaih Wasallam, waarvan 83 van de Muhajireen en 231 van de Ansaar waren. Van deze laatste groep waren 61 van de stam Aus en 170 van de stam Khazraj. 27 Daarnaast had het Moslimleger 70 kamelen 28 en drie paarden om op te rijden, 29 terwijl het Mekkaanse leger 1.000 man, 100 paarden en 700 kamelen bedroeg. 3031

De Gelijkheid van de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam

De Moslimdelegatie was opgesplitst in groepen van twee, drie en vier personen. Ze bereden de kamelen om de beurt tijdens de reis. De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam, Ali ibn Abi Talib Radi Allah Anho en Abu Lubaba Radi Allah Anho waren in dezelfde groep en wisselden het rijden op de kameel af. Toen Ali ibn Abi Talib Radi Allah Anho en Abu Lubaba Radi Allah Anho de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam verzochten om op de kameel te blijven, omdat zij hun beurt ook aan hem Sallallah o Alaih Wasallam wilden geven, antwoordde de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam:

ما انتما بأقوى مني على المشى، وما أنا بأغنى عن الأجر منكما. 32
Jullie zijn niet beter in lopen dan ik ben, en ik ben niet deugdzamer dan jullie.

Ook al was Profeet Mohammed Sallallah o Alaih Wasallam hun leider en kon hij een kameel of paard voor zichzelf reserveren, toch deed hij dit niet. Integendeel, hij behandelde de andere twee metgezellen als zijn gelijke en gaf blijk van diepe nederigheid en bescheidenheid. Toen de Moslims aankwamen bij Roha (روحاء), stuurde de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam Abu Lubaba Radi Allah Anho terug naar Medina en stelde hem tijdelijk verantwoordelijk in zijn afwezigheid. 3334

Umair ibn Abi Waqas Radi Allah Anho kreeg Speciaal Toestemming

Toen de Moslims de randen van Medina bereikten, inspecteerde de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam de Moslimdelegatie en vroeg de metgezellen die te jong waren voor deze missie terug te keren naar Medina. Abdullah ibn Umar Radi Allah Anho, Usama ibn Zaid Radi Allah Anho, Rafe’ ibn Khudaij Radi Allah Anho, Barra ibn Azib Radi Allah Anho, Usaid ibn Zaheer Radi Allah Anho, Zaid ibn Arqam Radi Allah Anho en Zaid ibn Thabit Radi Allah Anho werden allemaal te jong geacht om deel te nemen aan deze expeditie en werden daarom naar huis gestuurd. Alleen één jonge compagnon genaamd Umair ibn Abi Waqas Radi Allah Anho kreeg toestemming om mee te gaan op deze missie, omdat hij bleef aandringen. Hij was eerst geweigerd, maar uiteindelijk stond de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam hem toch toe om mee te komen, nadat hij de moed, devotie en liefde voor de missie van Umair ibn Abi Waqas Radi Allah Anho zag. Toen wist niemand nog dat de onderschepping van de karavaan zou leiden tot een oorlog. 35 De moslimdelegatie vertegenwoordigde niet het militaire potentieel van de Islamitische staat Medina, aangezien geen van de moslims een oorlog verwachtte. Bovendien bleven veel metgezellen achter omdat ook zij geen strijd verwachtten. 36

De Vlaggendragers van de Moslims

Toen de Moslims Roha bereikten, zond de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam Abu Lubaba Radi Allah Anho naar Medina en stelde hem aan als tijdelijke gouverneur. 37 Terwijl het leger zich klaar maakte om Roha te verlaten om de Mekkaanse handelskaravaan te onderscheppen, deelde de Heilige Porfeet Sallallah o Alaih Wasallam drie vlaggen of standaarden uit. De algemene standaard werd gegeven aan Mus’ab ibn Umair Radi Allah Anho, de standaard van de Muhajireen aan Ali ibn Abi Talib Radi Allah Anho en de standaard van de Ansaar werd gegeven aan Saad ibn Muaz Radi Allah Anho. 38

Abu Sufyan Redt de Karavaan van de Quraysh

Abu Sufyan was erg waakzaam en bewust van de gevaren onderweg terug naar Makkah. Hij vroeg continue aan reizigers of zij iets opvallends hadden gezien en bleef opletten of er geen teken van gevaar dreigde voor de karavaan. 39 Toen Abu Sufyan Badr naderde, ontmoette hij een reiziger, Majdi ibn Amar, en vroeg hem of hij een leger had gezien vanuit de richting van Medina. Majdi ibn Amar vertelde hem dat hij geen leger had gezien, maar alleen twee reizigers op kamelen die voor een korte periode achter een heuvel in de buurt hadden gerust. Abu Sufyan ging gauw naar de plaats waar de reizigers hadden gerust en vond daar uitwerpselen van kamelen. Abu Sufyan onderzocht de uitwerpselen, vond er sporen van dadelpitten in en realiseerde zich dat de dadels van Medina kwamen. Dit betekende dat de kamelen van Medina waren en dat de reizigers verkenners waren. Daarom zond hij Zamzam ibn Amar al-Ghaffari naar Makkah met de boodschap dat er door de Moslims een mogelijke overval op de karavaan gepleegd zou worden. Abu Sufyan veranderde snel zijn route. In plaats van de gebruikelijke weg volgde hij de westelijke kustroute en liet Badr achter zich. Hierdoor was de karavaan in veilig gebied. 40

De Mekkanen Besluiten Oorlog te Voeren tegen de Moslims

Zamzam haaste zich naar Makkah en informeerde de leiders over het nieuws. Daarop overtuigde Abu Jahal alle leiders van de Quraysh om een leger samen te stellen en richting Badr te marcheren. Iedereen ging hiermee akkoord en startte meteen de voorbereidingen voor de verwachte oorlog. 41

Vlak voor het Mekkaanse leger zou vertrekken, realiseerden de leiders zich dat de relatie met de naburige stam Banu Bakr onzeker was. Een aanval van de stam was mogelijk als het leger van Quraysh Makkah zou verlaten. Daarom begonnen de leiders van Makkah hun besluit om naar Badr te gaan te heroverwegen. Op dat moment kwam Iblis (de duivel) in de vorm van Suraqa ibn Malik, de leider van de stam Banu Kinana, en stelde hen gerust kalm te blijven. Hij zei dat ze hun plan voort moesten zetten, omdat Banu Kinana steun zou bieden als Banu Bakr een mogelijke aanval op Makkah zou plegen. 424344

De Quraysh Marcheren naar Badr

Met een leger van 1.300 soldaten marcheerden de Quraysh richting Badr. Toen ze Juhna bereikten, ontvingen de Quraysh een brief van Abu Sufyan met het geruststellende bericht dat de karavaan Makkah veilig had bereikt en dat het leger van Quraysh niet meer nodig was. Hij vroeg de leiders ook om het leger terug naar Makkah te leiden, aangezien er geen reden tot gevecht was. 45

Nadat ze deze brief hadden ontvangen, besloot een groot deel van de leiders van de Quraysh om zich terug te trekken en terug te keren naar Makkah. Abu Jahal was echter fel gekant tegen dit idee en haalde hen over om door te trekken naar Badr en onder alle omstandigheden tegen de moslims te vechten, omdat hij vastbesloten was om de moslims angst in te boezemen. Akhnas ibn Shareeq, de leider van Banu Zahra, wees dit idee volledig af. 46 Daarom nam Akhnas 300 van zijn stamleden en keerde terug naar Makkah, waardoor het aantal soldaten van het leger van Quraysh verminderde naar 1.000. De mannen van Banu Hashim wilden zich ook terugtrekken van de oorlog, maar Abu Jahal was te koppig en dwong ze deel te nemen in de oorlog. 47 Daarmee continueerde het Mekkaanse leger van 1.000 mannen, 100 paarden en 700 kamelen hun mars richting Badr. 4849

Het Dilemma bij Badr

De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam ontving het nieuws over de Quraysh en hun intentie om oorlog te voeren tegen de Moslims. Na het evalueren van de situatie realiseerde Profeet Mohammed Sallallah o Alaih Wasallam dat de Moslims andere geen optie hadden dan terug te vechten. Als ze zich zouden terugtrekken, dan zou men denken dat de Moslims zwak zijn. Bovendien zou de Quraysh ook een sterke politieke positie innemen tegen de Moslims van Medina. Na het overwegen van alle aspecten begreep de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam dat het Mekkaanse leger de stad Medina kon aanvallen, indien de Moslims zich zouden terugtrekken en dat zou resulteren in zware consequenties. 50

De Toewijding van de Metgezellen bij Badr

De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam besprak deze zaak met zijn metgezellen en vroeg om hun mening. Sommigen waren tegen het idee oorlog te voeren met de Mekkanen. Zoals de Heilige Qoraan vermeldt:

كَمَا أَخْرَجَكَ رَبُّكَ مِن بَيْتِكَ بِالْحَقِّ وَإِنَّ فَرِيقًا مِّنَ الْمُؤْمِنِينَ لَكَارِهُونَ 5 يُجَادِلُونَكَ فِي الْحَقِّ بَعْدَمَا تَبَيَّنَ كَأَنَّمَا يُسَاقُونَ إِلَى الْمَوْتِ وَهُمْ يَنظُرُونَ 651
Zelfs toen uw Heer u met de waarheid uit uw huis deed vertrekken, hoewel een deel van de gelovigen daar zeker tegen was. Zij twistten met u over de waarheid nadat deze duidelijk was geworden, (en zij gingen voort) alsof zij naar de dood werden gedreven terwijl zij (die) zagen.

Volgens al-Nasafi 52 en al-Baghawi 53 refereert dit vers naar de groep die tegen het idee was tegen het Mekkaanse leger te vechten. Prominente metgezellen, zoals Abu Bakr Radi Allah Anho, Umar ibn al-Khattab Radi Allah Anho, Saad ibn Ubadah Radi Allah Anho etc., waren het echter helemaal eens met de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam en gaven hun volledige steun voor de strijd. Toen stond Miqdad ibn Amar Radi Allah Anho op en zei:

فقال يا رسول اللّٰه امض لما أمرك اللّٰه فنحن معك فو اللّٰه ما نقول كما قالت بنو اسرائيل لموسى اذهب أنت وربك فقاتلا انا ههنا قاعدون ولكن اذهب أنت وربك فقاتلا انا معكما. 54
O Boodschapper van Allah, zet voort wat Allah u heeft opgedragen, wij zijn met u. In de naam van Allah, wij zullen niet herhalen wat Banu Israiel (het volk van Israiel) zei tegen Profeet Moses Alaihis Salam: “Gaat u met uw Heer en bevecht (de vijand zelf), terwijl wij hier zitten (en wachten).” (In plaats daarvan zullen we achter u staan en zeggen), “Gaat u met uw Heer en vecht en wij zullen naast u vechten (met de vijand).”

Abu Bakr Radi Allah Anho, Umar ibn al-Khattab Radi Allah Anho en Miqdad ibn Amar Radi Allah Anho waren van de Muhajireen-groep. Profeet Mohammed Sallallah o Alaih Wasallam wilde ook de mening van de metgezellen van de Ansaar horen. Dus vroeg hij de metgezellen opnieuw naar hun mening over deze situatie. Saad ibn Muaz Radi Allah Anho vroeg of de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam deze vraag aan de Ansaar stelde. Toen de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam ‘ja’ antwoordde, reageerde Saad ibn Muaz Radi Allah Anho als volgt:

فقد آمنا بك وصدقناك، وشهدنا أن ما جئت به هو الحق، وأعطيناك على ذلك عهودنا ومواثيقنا، على السمع والطاعة، فامض يا رسول اللّٰه لما اردت، فو الذى بعثك بالحق، إن استعرضت بنا هذا البحر فخضته لخضناه معك، ما تخلف منا رجل واحد، وما نكره أن تلقى بنا عدونا غدا! إنا لصبر عند الحرب، صدق عند اللقاء، لعل اللّٰه يريك منا ما تقر به عينك، فسر بنا على بركة اللّٰه. 55
Wij hebben in u geloofd (als Profeet), hebben u vertrouwd, en ook getuige afgelegd dat wat u heeft gebracht (de Islam) de waarheid is. En we hebben u ons woord van loyaliteit gegeven en u te volgen zonder vragen te stellen. Dus ga voort; o Boodschapper van Allah, doe wat u wilt en wij zullen aan uw zijde staan. In de naam van de Enige (Allah) die u heeft gezonden met de waarheid, als u ons zou zeggen om met u in de oceaan te duiken, dan doen wij dat en geen enkel persoon van ons zal achterblijven. Wij zijn er niet tegen om samen met u tegen onze vijand te vechten. We zullen zonder twijfel geduldig zijn op momenten (van moeilijkheden) van de oorlog en eerlijk (ins ons woord, zodat we nooit terugdeinzen) ten tijde van oorlog. Wij hopen dat Allah de Almachtige u (iets) zal laten zien van ons, dat tevredenheid voor uw ogen zal zijn, dus ga voort met de zegen van Allah.

Zo een moedig antwoord van de metgezellen van de Muhajireen en Ansaar stelde de Heilige Profeet Mohammed Sallallah o Alaih Wasallam tevreden en het Moslimleger startte de mars richting Badr, met pure vastberadenheid de vijand te bevechten. 56 Toen de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam Badr bereikte, vond hij een oude man. Toen hij de oude man ondervroeg over de Quraysh, kreeg hij een idee van hun huidige positie. 57

Informatie over het Kamp van de Quraysh bij Badr

Sommige metgezellen verkenden het gebied op gevaar en spionnen. Ze vonden twee jongens die water gingen halen van een put in de buurt. Ze zagen er niet uit als de bewoners van het gebied, dus zagen de metgezellen hen aan voor spionnen en namen hen mee naar het Moslimkamp. De twee jongens waren van de stam Quraysh en daarom ondervroeg de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam hen om informatie te verkrijgen. De jongens bevestigden dat het kamp van de Quraysh was gevestigd in al-Udwa al-Quswa, achter een kleine heuvel in de buurt. De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam vroeg hen toen over het aantal soldaten in het leger van de Quraysh, maar de jongens konden geen exact getal geven. Daarom vroeg de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam over de dagelijkse voedselconsumptie van de Quraysh. De jongens vertelden de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam dat de Quraysh negen tot tien kamelen per dag slachtten. Met deze informatie maakte de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam de correcte schatting dat het vijandig leger uit de 900 – 1.000 mannen bestond. De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam vroeg hen toen naar de leiders van Quraysh. De jongens gaven hem de namen van alle leiders, inclusief Abu Jahal. De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam zei toen tegen zijn metgezellen dat Allah de Almachtige de Moslims een grote kans had gegeven om het leiderschap van Makkah te verzwakken. 58

De Gezegende regen bij Badr

Door de zegen van Allah de Almachtige was er dezelfde nacht een zware regen boven het kamp van de Quraysh. Hierdoor werd de grond extreem zacht en had het leger van de Quraysh veel moeite om zich voort te bewegen. Aan de andere kant ontvingen de Moslimkampen lichte motregen, waardoor de zanderige woestijngrond verder verhardde. Hierdoor was het makkelijker voor de Moslims om vooruit te komen en de gewenste hogere grond te bereiken die strategisch een betere locatie was tegen de Quraysh. Hierdoor marcheerde de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam naar de hogere gronden voordat het leger van de Quraysh daar kon komen en bezette alle waterputten die beschikbaar waren bij Badr. Habbab ibn Munzir Radi Allah Anho vroeg de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam of hij deze locatie had gekozen vanwege een opdracht van Allah of dat het een betere strategische locatie leek. De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam antwoordde dat het zijn eigen keuze was aangezien het een strategisch betere locatie was en strategie in oorlog een belangrijk component was. Habbab ibn Munzir Radi Allah Anho stelde toen voor om alle putten behalve één te sluiten en een reservoir te bouwen om het water in op te slaan. De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam keurde dit idee goed en vroeg de metgezellen hier zorg voor te dragen. 59

Het Goede Nieuws op de Vooravond van Badr

Op de vooravond van de Slag van Badr nam de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam een aantal van zijn metgezellen mee naar de veldslag en liet hen de specifieke locaties zien waar de Mekkanen de volgende dag zouden sneuvelen. 60 Anas Radi Allah Anho meldt dat zij de dood van de voorspelde soldaten zagen plaatsvinden op precies dezelfde locaties die door de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam waren voorspeld. 61

Het Conflict onder de Leiders van Quraysh

Toen de Quraysh erachter kwamen dat het Moslimleger gearriveerd was, zonden ze Umair ibn Wahb om de kracht van de Moslims te onderzoeken. Umair reed te paard om het Moslimkamp heen en informeerde de Quraysh dat ze met ongeveer 300 man waren. Later ging Umair weer polshoogte nemen om te kijken of de Moslims enige versterking iets verderop hadden, maar hij vond niets. Hierna keerde Umair terug en vertelde de Quraysh dat de Moslims alleen waren en ze eruitzagen alsof ze zouden vechten tot hun dood. Hij informeerde hen ook dat de Moslims alleen hun zwaarden bij zich hadden en gereed waren op elk moment en koste wat kost te vechten. Daarmee zou deze oorlog kunnen leiden tot de dood van velen van de Quraysh. 62

Door Umairs informatie moesten de leiders van Quraysh nogmaals nadenken over de situatie en sommigen stelden voor om zich terug te trekken. 63 Een van hen was Hakeem ibn Hizaam. Hij ging naar Utbah ibn Rabi’a, overtuigde hem de zaak te heroverwegen en het leger te vragen terug naar Makkah te keren. Utbah besprak de zaak met zijn volgers en kondigde aan dat dit een slag was waar hij niet aan wilde deelnemen, aangezien ze zouden vechten tegen hun broers en bloedverwanten. Nadat hij zijn volgers had overtuigd, zond Utbah Hakeem naar Abu Jahal om ook hem te overtuigen zich terug te trekken van het gevecht. Toen Hakeem de boodschap van Utbah aan Abu Jahal overbracht, werd deze woest en zei dat Utbah alleen maar het leven van zijn zoon probeerde te redden, aangezien hij deel van het Moslimleger uitmaakte. Hakeem slaagde er niet in Abu Jahal te overtuigen, waarna Abu Jahal alle Mekkanen probeerde over te halen om te blijven en te vechten. Abu Jahal benaderde vervolgens Amir al-Hadhrami om zijn beslissing te steunen. Met Amirs hulp werd de koppige beslissing van Abu Jahal unaniem geaccepteerd en besloten de Quraysh oorlog te voeren tegen de Moslims. 64

Oorlogsformatie van de Moslims

De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam bad de hele nacht voor overwinning tot Allah de Almachtige. Na het Fajr gebed, 65 op vrijdag ochtend 17 Ramadan in het jaar 2 A.H., 66 verzamelde de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam alle metgezellen en positioneerde hen in een precieze rijformatie. Hij plaatste elke soldaat met zo een nauwkeurigheid, dat geen enkel persoon uit de rij stond. 67

Gebeden van de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam

Nadat hij de benodigde instructies had gegeven en het Moslimleger in oorlogsformatie had gepositioneerd, ging de Heilige Profeet, vergezeld door Abu Bakr Radi Allah Anho, naar zijn tent. Saad ibn Muaz Radi Allah Anho stond wacht buiten de tent, 68 terwijl de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam tot Allah de Almachtige bad:

اللهم إن تهلك هذه العصابة اليوم لا تعبد. 69
Als deze kleine groep Moslims omkomen, dan zal er op deze wereld niemand meer zijn om U te aanbidden.

De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam huilde en smeekte Allah de Almachtige voor Zijn Hulp. Hij tilde zijn handen richting de hemel op en vroeg voor Zijn genade over de kleine groep Moslims. Abu Bakr Radi Allah Anho kon Profeet Mohammed Sallallah o Alaih Wasallam niet in deze conditie zien en troostte de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam en vertelde hem dat Allah de Almachtige zeker zijn belofte zou nakomen en de Moslims zou helpen. 70

Het gebed van Abu Jahal

Op het slagveld bad Abu Jahal ook tot Allah en vroeg zijn hulp voordat de slag zou starten. Hij zei:

اللّٰهم أينا كان أحب إليك وأرضى عندك فانصره اليوم. 71
Oh Allah, diegenen die het meest geliefd bij U zijn en met wie U tevreden bent, help hun.

De Quraysh geloofden in Allah, maar niet in zijn exclusiviteit. Zij hadden namelijk meerdere deelgenoten aan hem toegeschreven die zij ook als goden aanbaden. Dit is in conflict met het monotheïstische geloof, Islam, waar wordt verkondigd dat Allah één is en geen deelgenoten heeft. In zijn smeekbede realiseerde Abu Jahal zich daarom niet dat zijn gebeden niet in het voordeel van zijn volgers waren, maar juist in het voordeel van de Moslims, aangezien de Moslims het meest geliefd bij Allah de Almachtige was. Daarom openbaarde Allah het volgende in de Heilige Qoraan:

إِن تَسْتَفْتِحُوا فَقَدْ جَاءَكُمُ الْفَتْحُ ۖ وَإِن تَنتَهُوا فَهُوَ خَيْرٌ لَّكُمْ ۖ وَإِن تَعُودُوا نَعُدْ وَلَن تُغْنِيَ عَنكُمْ فِئَتُكُمْ شَيْئًا وَلَوْ كَثُرَتْ وَأَنَّ اللَّهَ مَعَ الْمُؤْمِنِينَ 1972
Als jullie een oordeel zoeken, dan is het oordeel reeds over jullie gekomen. En al jullie ophouden, zal het beter voor jullie zijn; en als jullie afzien, zal dat beter voor jullie zijn; en als jullie terugkeren (om te vechten), zullen Wij (ook) terugkeren, en jullie troepen zullen jullie niets baten, ook al zijn ze talrijk, en (weet) dat Allah met de gelovigen is.

Abu Jahal deed deze smeekbede terwijl de Moslims en het polytheïstisch leger tegenover elkaar stonden. Als reactie op zijn smeekbede werd dit vers geopenbaard 73 waarin duidelijk werd vermeld dat Allah de Almachtige met de gelovigen was en niet met de polytheïsten. 74 Dit resultaat was ook te zien aan het eind van de oorlog.

De Toewijding en Moed van de Metgezellen

Het vooruitzicht op het Paradijs motiveerde de metgezellen hun leven op het spel te zetten en de vijand met volledige energie en veerkracht tegemoet te komen. 75 De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam zei tegen de metgezellen om hun energie te sparen door eerst gebruik te maken van pijlen en daarna in een zwaardgevecht deel te nemen als ze dichterbij kwamen. De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam gaf hun ook instructies om te vermijden sommige soldaten van de Quraysh, zoals Abu al-Bakhtari en de zonen van Hashim, te pijnigen of te doden omdat ze gedwongen waren te vechten. 76 De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam noemde specifiek de naam van Abu al-Bakhtari omdat hij de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam in Makkah nooit schade had toegebracht. Echter kwam Abu al-Bakhtar in de slag om het leven toen hij de Moslims aanviel en de Moslims geen andere keus hadden dan terug te vechten. 77

De Eerste Toevalligheden van de Polytheïsten bij Badr

Voordat de slag zelf was begonnen, was er al enige spanning tussen de tween groepen. Terwijl de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam in zijn tent aan het bidden was, kwamen beide legers tegenover elkaar staan. De Mekkanen waren woest omdat de Moslims alle watervoorraden voor zichzelf hadden genomen. Aswad ibn Abdul Asad al-Makhzumi besloot water te drinken vanuit het reservoir, zonder zich iets van de consequenties aan te trekken. Terwijl hij naar het water ging, confronteerde Hamza ibn Abdul Muttalib Radi Allah Anho hem en er ontstond een duel. Hamza Radi Allah Anho had maar een paar slagen nodig om hem te doden. 78

De Individuele Gevechten

De dood van de Mekkaanse soldaat Aswad ibn Abdul Asad al-Makhzumi motiveerde het Mekkaanse leger nog meer om de strijd aan te gaan. Na het afronden van zijn gebed, kwam de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam uit zijn tent om de situatie te observeren. In die tijd was het voor de Arabieren gewoonlijk om een strijd te starten met individuele duels. Van het polytheïstisch leger eisten Utbah ibn Rabi’a, zijn broer Shaybah ibn Rabi’a en zijn zoon Waleed ibn Utbah een duel. Vanuit het Moslimleger werd deze uitdaging geaccepteerd door A’uf ibn Harith, Muawaz ibn Harith en Abdullah ibn Ruwaha Radi Allah Anho. 79

De Mekkanen weigerden te vechten met de Ansaar en eisten een gevecht met hun gelijken vanuit de Muhajireen. De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam vond het ook niet passend dat de Ansaar in de eerste individuele gevechten zouden starten. Daarom riep hij de Ansaar 80 terug en zond Hamza ibn Abdul Muttalib Radi Allah Anho, Ali ibn Abi Talib Radi Allah Anho en Ubaida ibn Harith Radi Allah Anho vanuit de Muhajireen om tegen de polytheïsten te vechten. 81

Ubaidah ibn Harith Radi Allah Anho streed tegen Utbah, Hamza ibn Muttalib Radi Allah Anho confronteerde Shaybah, terwijl Ali ibn Abi Talib Radi Allah Anho vocht tegen Waleed ibn Utbah. Hamza Radi Allah Anho en Ali Radi Allah Anho versloegen hun tegenstanders met een paar slagen, maar het gevecht tussen Ubaidah Radi Allah Anho en Utbah duurde langer. Zowel Utbah en Ubaidah Radi Allah Anho waren gewond, dus Hamza Radi Allah Anho en Ali Radi Allah Anho doodden Utbah ibn Rabi’a. Daarna tilden zij hun gewonde broeder Ubaidah Radi Allah Anho op en droegen hem naar de Moslimkant. Door zijn diepe wonden overleed Ubaidah Radi Allah Anho en ontving het martelaarschap bij Safra, toen de Moslims terugkeerden naar Medina. 82

De Grote Slag bij Badr

Na de individuele duels begon de grote oorlog en beide naties vochten met veel moed voor datgene waar zij in geloofden. 83 Ook al waren de Moslims niet voorbereid op een slag, toch toonden ze geen spijt of aarzeling in het gevecht. Terwijl het gevecht doorging, kwam Ali ibn Abi Talib Radi Allah Anho vaak naar de tent van de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam om te kijken of hij veilig was en iedere keer vond hij de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam in een staat van prosternatie (houding waarbij iemand knielend of een neder geworpen houding aanneemt) terwijl hij يا حيّ يا قيّوم (O de Al Levende! O de Zelfvoorzienende!) reciteerde. 84 Abu Bakr Radi Allah Anho bleef de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam geruststellen door hem te herinneren dat Allah de Almachtige Zijn Belofte zou nakomen en hulp zou bieden in deze oorlog. Terwijl de spanning toenam en de Mekkanen de Moslims langzaam begonnen te overmeesteren, keek de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam naar Abu Bakr Radi Allah Anho en zei: O Abu Bakr Radi Allah Anho! De hulp van Allah is gekomen, Jibrael (Gabriël) Alaihis Salam is op zijn paard gekomen. 85 Toen kwam de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam uit zijn tent, pakte een handvol zand en blies het naar het Mekkaanse leger, terwijl hij reciteerde ‘mogen hun gezichten onaangenaam worden. Oh Allah, plaats angst in hun harten en laat hun benen trillen.’ Het zand bereikte de ogen van elke soldaat van het vijandig leger en veroorzaakte veel pijn en verwarring bij hen. Ze raakten in paniek en in totale verwarring. 86 De Heilige Qoraan vermeldt deze gebeurtenis in het volgende vers:

فَلَمْ تَقْتُلُوهُمْ وَلَٰكِنَّ اللَّهَ قَتَلَهُمْ ۚ وَمَا رَمَيْتَ إِذْ رَمَيْتَ وَلَٰكِنَّ اللَّهَ رَمَىٰ ۚ وَلِيُبْلِيَ الْمُؤْمِنِينَ مِنْهُ بَلَاءً حَسَنًا ۚ إِنَّ اللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيمٌ 1787
Dus jullie hebben hen niet gedood, maar het was Allah die hen heeft gedood, en jullie hebben niet gegooid (met zand naar de vijand), maar het was Allah die heeft gegooid, opdat Hij de gelovigen een goede gave van Zichzelf zou schenken. Voorwaar, Allah is Alhorend, Alwetend.

De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam stapte ook op het veldslag en vocht met ontzettend veel moed en kracht. Ali ibn Abi Talib Radi Allah Anho heeft overgeleverd dat hij de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam nog nooit met zoveel kracht had zien vechten zoals hij dat deed in de slag van Badr. 88

Het Leger van Engelen bij Badr

Allah de Almachtige had een leger van Engelen neergezonden om de Moslims bij te staan. Abu Ruhm al-Fhaffari overleverde dat hij en zijn (eerstegraads) neef de hele gebeurtenis bij Badr vanaf een berg in de verte hebben gadegeslagen. Volgens hen trok een alles omhullende wolk over hen heen en klonken er geluiden van mannen, paarden en klinkende pantsers en zwaarden. De wolk landde aan de rechterkant van de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam en toen zagen ze nog eenzelfde wolk richting de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam gaan. 89 Dit waren de legers van de Engelen, geleid door Gabriël (Jibraïl) Alaihis Salam.

Er zijn nog veel meer overleveringen over de aanwezigheid van Engelen op het slagveld. Ibn Abbas heeft gezegd dat een Moslim achter een polytheïstische soldaat aan rende toen hij het geluid van een zweep boven hem hoorde en de rennende Mekkaan viel dood neer. Toen de metgezel naar het lijk keek, zag hij dat het sporen van heftige slagen op zijn gezicht had. De metgezel vertelde deze gebeurtenis in aanwezigheid van de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam die hem toen vertelde dat een Engel hem vanuit de derde hemel had geholpen tijdens de strijd. 90

De komst van de Engelen keerde het tij op het slagveld en de Mekkanen werden één voor één gedood door onzichtbare krachten. Terugtrekkende soldaten van het polytheïstisch leger werden onthoofd door de Engelen. 91 Als Allah de Almachtige het wilde, kon hij het gehele leger van de Quraysh gedood hebben met een enkele Engel. 92 Echter was het doel in deze strijd voornamelijk om de Moslims bij te staan en daarom was een leger van Engelen gestuurd. 93 Allah de Almachtige heeft Zijn eigen manier om Zijn wil te volbrengen.

Het Verraad van de Duivel bij Badr

Iblies (de Duivel) maakte ook deel uit van het Mekkaans leger in de vorm van Suraqa ibn Malik. 94 Toen Iblies de goddelijke hulp vanuit de hemel zag neerdalen, vluchtte hij van het slagveld. De Mekkanen probeerden hem te stoppen, aangezien hij had beloofd hen in het gevecht te helpen. Iblies vertelde hen dat hij had gezien wat de anderen niet konden zien en hij vreesde voor de toorn van Allah. 95

De Dood van Abu Jahal

Abd Al-Rehman ibn A'uf Radi Allah Anho vertelt dat toen de moslims op het punt stonden te overwinnen, Muaz Radi Allah Anho en Muawiz Radi Allah Anho, twee jonge broers uit de Ansaar, naar hem toe kwamen en hem vroegen waar Abu Jahal zich bevond. Abd Al-Rehman ibn A'uf Radi Allah Anho liet hen zien waar Abu Jahal was en zij haastten zich om met hem te vechten. Deze jonge mannen vielen Abu Jahl woest aan en vochten met hem, hij raakte ernstig gewond en viel op de grond. Beiden dachten dat Abu Jahal dood was, dus gingen ze naar de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam om het goede nieuws te brengen. 96

Ondanks dat de jonge mannen van de Ansaar de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam op de hoogte brachten van de dood van Abu Jahal, bleef hij onzeker en vroeg hij zijn metgezellen om zijn lichaam te zoeken. Abdullah ibn Masood Radi Allah Anho zocht op het slagveld naar Abu Jahl en ontdekte dat de intuïtie van de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam juist was, want Abu Jahal leefde nog, maar was ernstig gewond. Abdullah ibn Masood Radi Allah Anho vond hem op de grond liggen, niet in staat om ook maar een spier te bewegen. Toen hij Abdullah ibn Masood Radi Allah Anho zag, vroeg Abu Jahal hem naar zijn identiteit. Toen Abdullah ibn Masood Radi Allah Anho zich voorstelde, schaamde Abu Jahal zich dat hij door een boer gedood zou worden. Vervolgens doodde Abdullah ibn Masood Radi Allah Anho hem en bracht zijn hoofd naar de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam. 97 Na naar zijn hoofd te hebben gekeken, zei de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam dat elk volk zijn farao had, en dat de farao van dit volk Abu Jahal was en dat Allah de Almachtige hem op de meest vernederende manier de dood had gegeven. 98

Slachtoffers van de Oorlog

De glorie van het Mekkaanse leger van werd vernietigd toen ze zich in schaamte terugtrokken. Ze hadden geen nederlaag verwacht van een kleine groep slecht bewapende soldaten tegen hun goed uitgeruste leger van 1.000 man. Uiteindelijk behaalde het moslimleger de overwinning en werden 70 soldaten van het polytheïstische leger 99 van Quraysh gedood en 70 gevangengenomen. 100 Aan de kant van de moslims stierven 14 personen als martelaar op het slagveld. 101

De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam gaf zijn metgezellen opdracht om de lichamen van de Mekkanen in Qaleeb (een put in Badr) te begraven en bleef nog drie nachten in Badr. Na drie dagen, toen het tijd was om naar Medina te vertrekken, stond de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam naast Qaleeb en zei:

هل وجدتم ما وعد ربكم حقا؟ 102
Hebben jullie echt dat gekregen wat jullie heer jullie had beloofd?

Umar ibn Al-Khattab Radi Allah Anho vroeg de Heilige Profeet Radi Allah Anho waarom hij tegen de lichamen sprak die leeg waren van hun ziel. De Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam vertelde Umar ibn Khattab Radi Allah Anho dat het lijk hem net zo duidelijk kon horen als Umar Radi Allah Anho hem hoorde. 103 Daarna keerden de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam en de moslims terug naar Medina. De Profeet Mohammed Sallallah o Alaih Wasallam had zijn metgezellen speciale instructies gegeven om de gevangenen van Badr te allen tijde met eerbied en zorg te behandelen. 104

De Dag van Onderscheid (يوم الفرقان)

De Heilige Qoraan verwijst naar de dag waarop de slag bij Badr werd uitgevochten als ‘De Dag van Onderscheid’ of ‘De Dag van het Criterium’. Allah de Almachtige zegt:

وَاعْلَمُوا أَنَّمَا غَنِمْتُمْ مِنْ شَيْءٍ فَأَنَّ لِلَّهِ خُمُسَهُ وَلِلرَّسُولِ وَلِذِي الْقُرْبَى وَالْيَتَامَى وَالْمَسَاكِينِ وَابْنِ السَّبِيلِ إِنْ كُنْتُمْ آمَنْتُمْ بِاللَّهِ وَمَا أَنْزَلْنَا عَلَى عَبْدِنَا يَوْمَ الْفُرْقَانِ يَوْمَ الْتَقَى الْجَمْعَانِ وَاللَّهُ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ 41105
En weet, dat wat jullie als buit nemen, er is een-vijfde hiervan voor Allah, de boodschapper, de verwanten, de wezen, de armen en de reiziger – indien jullie in Allah geloven en in hetgeen Wij aan Onze dienaar op de dag der onderscheiding neerzonden, de dag waarop de twee legers elkaar ontmoetten. En Allah heeft macht over alle dingen.

Die dag staat bekend als de ‘Dag van het Criterium’, omdat Allah de Almachtige de Waarheid van de Leugen onderscheidde en het woord van het geloof boven het polytheïsme verhief. Hij maakte Zijn religie duidelijk en steunde de Heilige Profeet Sallallah o Alaih Wasallam en zijn metgezellen. 106 Het langdurige en diepgaande belang van het onderscheid tussen waarheid en leugen dat in Badr tot uiting kwam, was veelzijdig. Het onderscheidde de waarheid van de leugen die in de harten en gewetens van de mensen bestond. Dit leidde tot een volledig onderscheid tussen absoluut monotheïsme aan de ene kant en polytheïmse aan de andere kant. Bij monotheïsme staat centraal dat de autoriteit over menselijke gevoelens, hun gedrag, moraal, aanbidding en onderwerping alleen aan God toegekend kan worden. Polytheïmse heeft verschillende vormen en verschijningsvormen. 107 Zo werden de Quraysh, die geloofden in een leugen en veel meer man en macht had, verslagen door het Moslimleger dat onder leiding van de Profeet Mohammed Sallallah o Alaih Wasallam was. Ook al waren de Moslims slechter uitgerust met man en macht, ze waren op het pad van de waarheid.


  • 1  Ali ibn Ibrahim ibn Ahmed Al-Halabi (2013), Al-Seerah Al-Halabiyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 197.
  • 2  Ahmed ibn Yahya ibn Jabir ibn Dawood Al-Baladhuri (1996), Jumal Min Ansab Al-Ashraf, Dar Al-Fikr, Beirut, Lebanon, Vol. 1, Pg. 288.
  • 3  Abu Abdullah Muhammad ibn Umar Al-Waqidi (2004), Al-Maghazi, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 1, Pg. 35.
  • 4  Muhammad ibn Yusuf Al-Salihi Al-Shami (2013), Subul Al-Huda wal-Rashad fi Seerat Khair Al-‘Ibad, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 4, Pg. 18.
  • 5  Abu Abdullah Muhammad ibn Umar Fakhar Al-Din Al-Raazi (1420 A.H.), Mafateeh Al-Ghaib, Dar Ihya Al-Turath Al-Arabi, Beirut, Lebanon, Vol. 23, Pg. 228.
  • 6  Abu Al-Qasim Mahmood ibn Amr ibn Ahmad Al-Zamakhshari (1407 A.H.), Al-Khashaf, Dar Al-Kitaab Al-Arabi, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 160.
  • 7  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 216.
  • 8  Holy Quran, Al-Hajj (The Pilgrimage) 22: 39
  • 9  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 216.
  • 10  Syed Mahmood Shikri Al-Aaloosi (2012), Buloogh Al-Arab Fi M’arifati Ahwal Al-Arab, Maktaba Ibn Taymiyyah lil Nashr wal-Tawzi, Cairo, Egypt, Vol. 3, Pg. 385.
  • 11  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 224.
  • 12  Ibid.
  • 13  Muhammad Saeed Ramadan Al-Bouti (1426 A.H.), Fiqh Al-Seerat Al-Nabawiyah M’a Mujiz Li Al-Khilafat Al-Rashida, Dar Al-Fikr, Damascus, Syria, Pg. 156.
  • 14  Abd Al-Malik ibn Hisham (2009), Al-Seerat Al-Nabawiyah le-ibn Hisham, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Pg. 415.
  • 15  Abu Abdullah Muhammad ibn Abu Bakr ibn Qayyam Al-Jawzi (2000) Seerat Khair Al-Abad, Al-Maktaba Al-Islami, Beirut, Lebanon, Pg. 107.
  • 16  Abu Abdullah Muhammad ibn Abu Bakr ibn Qayyam Al-Jawzi (2005), Zaad Al-Ma’ad, Muassasah Al-Risala, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 153.
  • 17  Husain ibn Muhammad ibn Al-Hasan Al-Diyar Bikri (2009), Tareekh Al-Khamees fi Ahwal Anfus Nafees, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 92.
  • 18  Muhammad ibn Yusuf Al-Salihi Al-Shami (2013), Subul Al-Huda wal-Rashad fi Seerat Khair Al-‘Ibad, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 4, Pg. 23.
  • 19  Abu Abdullah Muhammad ibn Umar Al-Waqidi (2004), Al-Maghazi, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 1, Pg. 35.
  • 20  Ahmed ibn Yahya ibn Jabir ibn Dawood Al-Baladhuri (1996), Jumal Min Ansab Al-Ashraf, Dar Al-Fikr, Beirut, Lebanon, Vol. 1, Pg. 288.
  • 21  Abd Al-Malik ibn Hisham (2009), Al-Seerat Al-Nabawiyah le-ibn Hisham, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Pg. 419.
  • 22  Ali ibn Ibrahim ibn Ahmed Al-Halabi (2013), Al-Seerah Al-Halabiyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 202.
  • 23  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 224.
  • 24  Yahya ibn Salam Al-Qirwani (2004), Tafsir Yahya ibn Salam, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 542.
  • 25  Abu Al-Hasan Ali ibn Ahmad Al-Shafi (1994), Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 1, Pg. 360.
  • 26  Abu Abdullah Shams Al-Din Al-Zahabi (2010), Al-Seerat Al-Nabawiyah Min Kitab Tareekh Al-Islam, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 308.
  • 27  Muhammad ibn Ishaq ibn Yasar Al-Madani (2009), Al-Seerat Al-Nabawiyah le-ibn Ishaq, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Pg. 317-318.
  • 28  Abu Abdullah Muhammad ibn Umar Al-Waqidi (2004), Al-Maghazi, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 1, Pg. 40.
  • 29  Muhammad ibn Abd Al-Baqi ibn Yusuf Al-Zurqani (2012), Sharah Al-Zurqani ‘Ala Al-Mawahib Al-Laduniyyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 260.
  • 30  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 227.
  • 31  Muhammad ibn Abd Al-Baqi ibn Yusuf Al-Zurqani (2012), Sharah Al-Zurqani ‘Ala Al-Mawahib Al-Laduniyyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 261.
  • 32  Muhammad ibn Abdullah Al-Khateeb Al-Tabrezi (2011), Mishkat Al-Masaabih, Hadith: 3915, Maktaba Al-Asariyah, Sidon, Lebanon, Vol. 3, Pg. 1249.
  • 33  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 225.
  • 34  Muhammad ibn Yusuf Al-Salihi Al-Shami (2013), Subul Al-Huda wal-Rashad fi Seerat Khair Al-‘Ibad, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 4, Pg. 24.
  • 35  Abu Abdullah Muhammad ibn Umar Al-Waqidi (2004), Al-Maghazi, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 1, Pg. 35.
  • 36  Abu Bakr Ahmed ibn Al-Husain Al-Bayhaqui (2008), Dalail Al-Nabuwah wa M’arifat Ahwal Sahib Al-Shariyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 32.
  • 37  Abu Abdullah Shams Al-Din Al-Zahabi (2010), Al-Seerat Al-Nabawiyah Min Kitab Tareekh Al-Islam, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 308.
  • 38  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 225.
  • 39  Abd Al-Rahman ibn Abdullah Al-Suhaili (2009), Al-Raudh Al-Unf fi Sharha Al-Seerat Al-Nabawiyah le-ibn Hisham, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 49.
  • 40  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 227.
  • 41  Ibid, Pg. 224.
  • 42  Muhammad ibn Jareer Al-Tabari (1387 A.H.), Tareekh Al-Tabari, Dar Al-Turath, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 431.
  • 43  Husain ibn Muhammad ibn Al-Hasan Al-Diyar Bikri (2009), Tareekh Al-Khamees fi Ahwal Anfus Nafees, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 91.
  • 44  Abd Al-Rahman ibn Abdullah Al-Suhaili (2009), Al-Raudh Al-Unf fi Sharha Al-Seerat Al-Nabawiyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 54.
  • 45  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 226-227.
  • 46  Abul Fida Ismael ibn Kathir Al-Damishqi (2011), Al-Seerat Al-Nabawiyah le-ibn Kathir, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Pg. 259.
  • 47  Abu Abdullah Muhammad ibn Abu Bakr ibn Qayyam Al-Jawzi (2005), Zaad Al-Ma’ad, Muassasah Al-Risala, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 156.
  • 48  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 227.
  • 49  Muhammad ibn Abd Al-Baqi ibn Yusuf Al-Zurqani (2012), Sharah Al-Zurqani ‘Ala Al-Mawahib Al-Laduniyyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 261.
  • 50  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 228.
  • 51  Holy Quran, Al-Anfaal (War Bounty) 8: 5-6
  • 52  Abdullah ibn Ahmed Al-Deen Al-Nasafi (1998), Tafseer Al-Nasafi: Madarik Al-Tanzeel wa Haqaiq Al-Taweel, Dar Al-Kalim Al-Tayyab, Beirut, Lebanon, Vol. 1, Pg. 631.
  • 53  Abu Muhammad Al-Husain ibn Masood Al-Baghawi (1997), Tafseer Al-Baghawi, Dar Taibah lil Nashr wa Al-Tawzi, Vol. 3, Pg. 328.
  • 54  Husain ibn Muhammad ibn Al-Hasan Al-Diyar Bikri (2009), Tareekh Al-Khamees fi Ahwal Anfus Nafees, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 96-97.
  • 55  Muhammad ibn Jareer Al-Tabari (1387 A.H.), Tareekh Al-Tabari, Dar Al-Turath, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 435.
  • 56  Abu Abdullah Muhammad ibn Abu Bakr ibn Qayyam Al-Jawzi (2005), Zaad Al-Ma’ad, Muassasah Al-Risala, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 155.
  • 57  Muhammad Saeed Ramadan Al-Bouti (1426 A.H.), Fiqh Al-Seerat Al-Nabawiyah M’a Mujiz Li Al-Khilafat Al-Rashida, Dar Al-Fikr, Damascus, Syria, Pg. 161.
  • 58  Muhammad ibn Abd Al-Baqi ibn Yusuf Al-Zurqani (2012), Sharah Al-Zurqani ‘Ala Al-Mawahib Al-Laduniyyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 261.
  • 59  Abul Fida Ismael ibn Kathir Al-Damishqi (2011), Al-Seerat Al-Nabawiyah le-ibn Kathir, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Pg. 253-254.
  • 60  Abu Abdullah Muhammad ibn Abu Bakr ibn Qayyam Al-Jawzi (2005), Zaad Al-Ma’ad, Muassasah Al-Risala, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 157.
  • 61  Abu Bakr Ahmed ibn Al-Husain Al-Bayhaqui (2008), Dalail Al-Nabuwah wa M’arifat Ahwal Sahib Al-Shariyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 47.
  • 62  Muhammad ibn Jareer Al-Tabari (1387 A.H.), Tareekh Al-Tabari, Dar Al-Turath, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 442.
  • 63  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 232.
  • 64  Muhammad ibn Abd Al-Baqi ibn Yusuf Al-Zurqani (2012), Sharah Al-Zurqani ‘Ala Al-Mawahib Al-Laduniyyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 273.
  • 65  Abu Bakr Ahmed ibn Al-Husain Al-Bayhaqui (2008), Dalail Al-Nabuwah wa M’arifat Ahwal Sahib Al-Shariyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 49.
  • 66  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 232.
  • 67  Abul Fida Ismael ibn Kathir Al-Damishqi (2011), Al-Seerat Al-Nabawiyah le-ibn Kathir, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Pg. 255.
  • 68  Abu Abdullah Muhammad ibn Abu Bakr ibn Qayyam Al-Jawzi (2005), Zaad Al-Ma’ad, Muassasah Al-Risala, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 160.
  • 69  Abd Al-Rahman ibn Abdullah Al-Suhaili (2009), Al-Raudh Al-Unf fi Sharha Al-Seerat Al-Nabawiyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 68.
  • 70  Abul Fida Ismael ibn Kathir Al-Damishqi (2011), Al-Seerat Al-Nabawiyah le-ibn Kathir, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Pg. 256.
  • 71  Muhammad ibn Yusuf Al-Salihi Al-Shami (2013), Subul Al-Huda wal-Rashad fi Seerat Khair Al-‘Ibad, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 4, Pg. 46.
  • 72  Holy Quran, Al-Anfal (War Bounty) 8:19
  • 73  Muhammad Sanaullah Al-Mazhari (1412 A.H.), Tafseer Al-Mazhari, Maktaba Al-Rushdiya, Pakistan, Vol. 4, Pg. 42.
  • 74  Abu Abdullah Muhammad ibn Ahmad ibn Abu Bakr Shams Al-Deen Al-Qurtabi (1964) Al-Jami’u Li Ahkaam Al-Quran Tafseer Al-Qurtabi, Dar Al-Kutub Al-Misriya, Cairo, Egypt, Vol. 7, Pg. 386.
  • 75  Abd Al-Rahman ibn Abdullah Al-Suhaili (2009), Al-Raudh Al-Unf fi Sharha Al-Seerat Al-Nabawiyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 71.
  • 76  Abul Fida Ismael ibn Kathir Al-Damishqi (2011), Al-Seerat Al-Nabawiyah le-ibn Kathir, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Pg. 259.
  • 77  Abu Abdullah Muhammad ibn Umar Al-Waqidi (2004), Al-Maghazi, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 1, Pg. 87.
  • 78  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 235.
  • 79  Abu Abdullah Muhammad ibn Abu Bakr ibn Qayyam Al-Jawzi (2005), Zaad Al-Ma’ad, Muassasah Al-Risala, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 160.
  • 80  Muhammad ibn Saad Al-Basri (1990), Al-Tabqat Al-Kubra, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 12.
  • 81  Abu Abdullah Shams Al-Din Al-Zahabi (2010), Al-Seerat Al-Nabawiyah Min Kitab Tareekh Al-Islam, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 311.
  • 82  Abu Abdullah Muhammad ibn Abu Bakr ibn Qayyam Al-Jawzi (2005), Zaad Al-Ma’ad, Muassasah Al-Risala, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 160.
  • 83  Ibid, Pg. 161.
  • 84  Muhammad ibn Yusuf Al-Salihi Al-Shami (2013), Subul Al-Huda wal-Rashad fi Seerat Khair Al-‘Ibad, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 4, Pg. 36.
  • 85  Abul Fida Ismael ibn Kathir Al-Damishqi (2011), Al-Seerat Al-Nabawiyah le-ibn Kathir, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Pg. 257.
  • 86  Abu Abdullah Muhammad ibn Umar Al-Waqidi (2004), Al-Maghazi, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 1, Pg. 88.
  • 87  The Holy Quran, Al-Anfaal (War Bounty) 8: 17
  • 88  Abu Abdullah Ahmed ibn Muhammad ibn Hanbal (2001), Musnad Al-Imam Ahmed ibn Hanbal, Hadith: 654, Muassasah Al-Risala, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 81.
  • 89  Abu Abdullah Muhammad ibn Umar Al-Waqidi (2004), Al-Maghazi, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 1, Pg. 84-85.
  • 90  Abu Bakr Ahmed ibn Al-Husain Al-Bayhaqui (2008), Dalail Al-Nabuwah wa M’arifat Ahwal Sahib Al-Shariyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 3, Pg. 51-52.
  • 91  Abu Nua’ym Ahmed ibn Abdullah Al-Asbahani (2012), Dalail Al-Nabuwah, Maktabah Asariyah, Sidon, Lebanon, Pg. 281.
  • 92  Abul Fida Ismael ibn Kathir Al-Damishqi (2011), Al-Seerat Al-Nabawiyah le-ibn Kathir, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Pg. 263.
  • 93  Muhammad ibn Abd Al-Baqi ibn Yusuf Al-Zurqani (2012), Sharah Al-Zurqani Ala Al-Mawahib Al-Laduniyyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 295.
  • 94  Ali ibn Ibrahim ibn Ahmed Al-Halabi (2013), Al-Seerat Al-Halabiyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 225.
  • 95  Abu Abdullah Muhammad ibn Abu Bakr ibn Qayyam Al-Jawzi (2005), Zaad Al-Ma’ad, Muassasah Al-Risala, Beirut, Lebanon. Vol. 3, Pg. 162.
  • 96  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 239-240.
  • 97  Ibid.
  • 98  Ali ibn Ibrahim ibn Ahmed Al-Halabi (2013), Al-Seerat Al-Halabiyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 239.
  • 99  Muhammad ibn Abd Al-Baqi ibn Yusuf Al-Zurqani (2012), Sharah Al-Zurqani ‘Ala Al-Mawahib Al-Laduniyyah, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 2, Pg. 303.
  • 100  Abu Abdullah Muhammad ibn Umar Al-Waqidi (2004), Al-Maghazi, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Vol. 1, Pg. 114.
  • 101  Safi Al-Rahman Al-Mubarakpuri (2010), Al-Raheeq Al-Makhtum, Dar ibn Hazam, Beirut, Lebanon, Pg. 243.
  • 102  Muhammad ibn Ismail Al-Bukhari (1999), Sahih Al-Bukhari, Hadith: 3980, Dar Al-Salam lil Nashr wal-Tawzi, Riyadh, Saudi Arabia, Pg. 671.
  • 103  Muhammad ibn Ismail Al-Bukhari (1999), Sahih Al-Bukhari, Hadith: 3980, Dar Al-Salam lil Nashr wal-Tawzi, Riyadh, Saudi Arabia, Pg. 671.
  • 104  Abd Al-Malik ibn Hisham (2009), Al-Seerat Al-Nabawiyah le-ibn Hisham, Dar Al-Kutub Al-Ilmiyah, Beirut, Lebanon, Pg. 439.
  • 105  Holy Quran, Al-Anfaal (War Bounty) 8: 41
  • 106  Abul Fida Ismael ibn Kathir Al-Damishqi (2009), Tafseer Quran Al-Azeem, Dar Tayba lil Nashr wal-Tawzi, Riyadh, Saudi Arabia, Vol. 4, Pg. 65.
  • 107  Syed Qutb (1997), Fi Zilal Al-Quran (Urdu Translation by Syed Maroof Shah Sherazi), Idara Manshoorat Islami, Lahore, Pakistan, Vol. 3, Pg. 326.

Powered by Netsol Online